01/05/2020

KOM OP, EVEN ZWAAIEN

‘Kom op mevrouw Polak, even zwaaien.’

Ze duwt de hand weg.

‘Ze is er speciaal voor u ...’

Aan de andere kant van de ruit zit haar jongste dochter met een kleinzoon, haar achterkleinzoon. Ze zitten op de donkergroene plastic tuinstoelen van de binnentuin. 

‘Dit is niet aardig van u ...’

Ze zwaait nooit, dat weet haar dochter ook. De laatste keer dat ze zwaaide was naar Levi. Vijfenzeventig jaar geleden. Zij was zestien, hij negentien. ‘We zien elkaar terug, Rebecca’ fluisterde hij. ‘Ooit. Ergens.’ Hij kwam niet terug. Pas veel later hoorde ze dat hij in Bergen Belsen was omgekomen. Vergast. ‘Je zult een nieuwe manier van leven vinden,’ zei moeder na de bevrijding, ‘op de een of andere manier ...’ Moeder had gelijk. Ze vond een nieuwe liefde, trouwde, kreeg kinderen.

Anna aan de aan de andere kant van de ruit is de jongste van de vier, 63 jaar alweer. Achter Anna hangt de bevrijdingsvlag slap omlaag langs de mast. Windstil is het. Nooit vierde ze Bevrijdingsdag, nu ook niet. Nooit zwaaide ze, nu ook niet. Albert was een fijne echtgenoot, het huwelijk was goed, maar Levi is ze nooit vergeten. Als ze dood is hoopt ze hem weer te zien: ‘Ooit,’ had hij immers gezegd, ‘ergens.’

Haar dochter en achterkleinzoon staan op, zwaaien en lopen weg.

De verpleegster zucht, haalt de rolstoel van de rem en brengt haar terug naar haar kamer. ‘Volgende week weer?’ vraagt ze.