Doodgraver

 Vanuit de keuken in het voorhuis ziet Geesje de man in het strakke, zwarte pak over het pad naar de achterzijde van de monumentale boerderij lopen. ‘Hij lijkt wel een doodgraver,’ denkt ze.

 

   Harm wacht hem bij de schuur al op. De voorjaarszon schijnt op zijn gezicht.

‘Ik kom de schade opnemen,’ glimlacht de man.  

   Zwijgend wijst Harm op de scheuren in het metselwerk van de achtergevel. Vanuit de oude eik kijkt een zwarte kraai wantrouwend op hen neer. Het is de vogel die altijd met hem mee vliegt wanneer hij op zijn tractor het land bewerkt.

   Het zwarte pak klopt, tikt, meet en keurt. ‘Slechte bouw, niet te wijten aan de aardbevingen,’ concludeert hij.

 

   De schade-expert rijdt in zijn glimmende, witte auto het erf af. Harm kijkt hem minutenlang roerloos na, terwijl de hoogzwangere lapjeskat miauwend langs zijn benen schurkt. De woorden dreunen nog na in zijn hoofd. Slechte bouw? Dat de Groninger boerderij al honderdvijftig jaar trots overeind staat, telt niet?

   In de verte slaan de klokken van de Hervormde kerk in Loppersum twaalf keer. ‘Eerst maar eens kijken of Geesje het eten klaar heeft,’ zucht hij, ‘vanmiddag aardappels poten.’ De kraai kijkt even op van zijn poetsbeurt.

   Net wanneer Harm in de richting van de grote groene baanderdeuren wil lopen, hoort hij een enorme knal gevolgd door het geluid van een naderende goederentrein. Onder zijn hand door tuurt hij in de richting van het spoor. Geen trein te zien. Toch komt het zware geluid voelbaar dichterbij. Alles begint te trillen; de kraai vliegt schreeuwend op; de kat maakt zich moeizaam uit de voeten. De Groninger boerderij schudt op haar grondvesten.  Vanuit zijn ooghoeken ziet hij de acht meter hoge achtergevel met de initialen van zijn voorouders en het jaartal 1866 langzaam op zich af komen. Als aan de grond genageld blijft hij staan. Zijn grote handen met de zwarte rouwranden onder de nagels verheffen zich als de handen van de dominee bij het uitspreken van de zegen.

 

 

   Geesje staart trillend naar de pruttelende rode bieten in de pan op het fornuis. Rode vlekken sieren haar schort. ‘Dat was er weer een’ verzucht ze, en draait het gas resoluut uit. Het eten is klaar. Ze gaat Harm roepen. Langs de voerbak van de kat loopt ze naar achteren. Zonlicht verblindt haar wanneer ze de zware branddeur naar de anders zo donkere schuur opent.

 

 

   Na drie doelloze rondjes strijkt de zwarte kraai naast Harm neer.

Hij ligt op de grond en kijkt omhoog naar de verweerde schommelhaken in de grote tak van de honderden jaren oude eik. De rode Groninger bakstenen liggen als een deken over hem heen. Glimlachend denkt hij aan de tijd dat hij en zijn broer deden wie het hoogste kon. Bloed vloeit uit over de zanderige grond. Hij hoort de stem van zijn moeder. ‘Kom maar jongen, kom maar bij me.’ Harm strekt zijn armen naar haar uit.